De ademhaling is de meeste vitale functie die we hebben. Elke ademteug voorziet het lichaam van nieuwe zuurstof. Triljoenen lichaamscellen hebben die zuurstof nodig om de organen goed te laten werken. De cellen produceren tijdens de celstofwisseling kooldioxide (CO2), een gas dat we bij elke uitademing weer uitblazen.

Bij een gezonde ademhaling krijgen lichaamscellen voldoende zuurstof en wordt CO2 adequaat afgevoerd.

Hoe we ademen

We ademen doordat de ademhalingsspieren afwisselend spannen en weer ontspannen. De spieren zorgen ervoor dat de longen groter en weer kleiner worden, zodat lucht de longen in- en weer uitstroomt. De binnenkant van de longen is bedekt met honderden miljoenen longblaasjes: de alveoli. Via deze longblaasjes wordt de ingeademde zuurstof in het bloed opgenomen en dankzij de bloedcirculatie naar alle weefsels en organen getransporteerd.

De ademhaling past zich voortdurend en automatisch aan. De snelheid en diepte waarmee je ademt hangt samen met de mate van fysieke inspanning, mate van stress (door infectie, emoties, trauma of ziekte) en met je lichaamstemperatuur. Hoewel je er op bepaalde momenten bewust invloed op kunt hebben, verloopt de ademhaling autonoom gedurende de rest van de dag, en heel de nacht. Het lichaam leren om anders – rustiger en lichter – te ademen vergt dan ook een tijdlang doelgerichte oefening.

Als je ademhaling ontregeld is, is de zuurstofvoorziening in het lichaam niet optimaal, en daar kun je na verloop van tijd klachten door ontwikkelen. Welke ongemakken of problemen dat zijn, is afhankelijk van waar je in aanleg kwetsbaar voor bent. We zien in de praktijk dan ook mensen met uiteenlopende aandoeningen met een ontregelde ademhaling.

Belang van gezond ademen

De ademhaling voorziet het lichaam van de benodigde zuurstof en is daarmee nauw verbonden met de andere systemen in ons lichaam. Als de ademhaling ontregeld is dan raakt dit vroeg of laat ook andere lichaamsprocessen. Soms geeft dit alleen maar ongemak, maar het kan ook ingrijpender gevolgen hebben.

Hieronder volgt een overzicht van de relaties tussen de ademhaling en een aantal andere lichaamssystemen.

De bloedcirculatie zorgt ervoor dat het bloed naar en van alle weefsels en organen in het hele lichaam stroomt. Het hart is de ‘motor’ van de bloedsomloop. De slagaders zijn de verbinding vanaf het hart naar de organen. De aders brengen het bloed vanuit het lichaam terug naar het hart.

Belang van de ademhaling

De ademhaling draagt bij aan de bloedtoevoer naar het hart. Tijdens de inademing zetten de longen uit en verwijden de bloedvaten in de longen (‘vasodilatie’). Dit heeft een aanzuigende werking: de bloedtoevoer naar longen stijgt en daardoor ook de bloedtoevoer vanuit het lichaam naar het hart.

Er is een duidelijk verband tussen de ademhaling en het functioneren van het cardiovasculaire systeem. Zo hebben mensen met een hoge bloeddruk een hogere ademfrequentie wanneer ze stress ervaren. Ook ademen ze minder met het middenrif en meer bovenin de borst. Het autonome zenuwstelsel raakt hierdoor uit balans en er ontstaat vasoconstrictie (smaller worden van de bloedvaten). Het hart moet dan harder werken om het bloed rond te kunnen pompen. De ‘hoge’ ademhaling veroorzaakt ook een verminderde zuurstofopname in de longblaasjes.

Ademhalingsoefeningen die de ademfrequentie en het ademvolume verminderen brengen het autonome zenuwstelsel weer in balans. De bloeddruk en de hartslag zullen weer dalen en de opname van zuurstof verbetert.

De zuurstofbalans is de verhouding tussen de aanvoer van zuurstof en de hoeveelheid zuurstof die de hartspier nodig heeft om te presteren. De hartspier is een klein orgaan, maar verbruikt relatief veel zuurstof. Als de zuurstoftoevoer via de longen tekortschiet  dan krijgen de organen of weefsels te weinig zuurstof en voedingsstoffen. Maar een tekort aan zuurstof vermindert ook de pompfunctie van het hart zelf, en de hartspier kan erdoor beschadigd raken.

Belang van de ademhaling

De longen zijn de enige toegangsweg tot de hartspier. De longblaasjes in de longen zijn omgeven door bloedvaatjes die de zuurstof uit de ingeademde lucht opnemen en koolzuurgas (CO2) afstaan. Een goede gaswisseling in de longblaasjes – de uitwisseling tussen zuurstof en CO2 – heeft direct effect op de zuurstofvoorziening van de hartspier.

Wanneer de ademhaling snel en oppervlakkig is, vaak hoog in de borst, dan bereikt niet alle lucht de longblaasjes. De lucht blijft als het ware ‘hangen’ in de luchtwegen (bronchieën en bronchioli), ook wel anatomisch ‘dode ruimte’ wordt genoemd. Hierbinnen vindt namelijk geen gaswisseling plaats en kan het bloed  geen zuurstof opnemen. Wanneer de ademhaling langzamer is en met gebruik van het middenrif diep in de buik plaatsvindt, dan bevordert dat de zuurstofopname. De hartspier krijg zo meer zuurstof en kan beter presteren.

De bloedcirculatie heeft een belangrijke functie in het transporteren van zuurstof, voedingsstoffen, afvalstoffen, warmte, etc. Een voorwaarde hiervoor is dat de zuurgraad van het bloed in balans is, namelijk een pH-waarde van ongeveer 7,4 (waarbij 1 extreem zuur is en 14 extreem basisch). Bij een pH onder de 6,8 en boven de 7,8 kan het bloed zijn functie niet goed meer vervullen en lichaamscellen dood. Zowel de transportfunctie van het bloed als de handhaving van de zuurgraad zijn nauw verbonden met de ademhaling.

Belang van de ademhaling

De ademhaling heeft rechtstreeks effect op de zuurgraad. Een ontregelde ademhaling zoals chronisch hyperventileren brengt deze uit balans. Het lichaam heeft twee manieren om hierop te reageren. De eerste is ‘buffering’ en de tweede is de aanmaken van zuren:

  1. Buffering: De belangrijkste buffering noemt met ook wel het pCO2-bicarbonaat systeem. Iemand die chronisch hyperventileert ademt te veel CO2 uit waardoor het bloed meer basisch wordt. Dit wordt ‘respiratoire alkalose’ genoemd. Het lichaam vangt dit op door H2CO3 om te zetten in meer waterstof (H+) en bicarbonaten (HCO3-). Het bicarbonaat verlaat het lichaam via de nieren (we plassen het uit), maar neemt daarbij ook veel mineralen mee, zoals natrium, magnesium, calcium en kalium. Hierdoor daalt dus de hoeveelheid mineralen in het bloed. Bijvoorbeeld, een magnesiumtekort leidt tot verkramping van spieren. Bovendien verandert de samenstelling van het bloed (zoals minder CO2 en meer H+), waardoor de uitwisseling van vitamines, hormonen etc. in gevaar komt.
  2. Aanmaak van zuren: Als de buffering na verloop van tijd uitgewerkt raakt en de pH van het bloed dreigt te stijgen, dan gaat het lichaam zuren aanmaken, zoals melkzuur. Dit noemt men ‘metabole acidosis’. Melkzuur wordt bijvoorbeeld gemaakt wanneer tijdens inspanning het bloed niet meer in staat is om voldoende zuurstof aan te voeren. Het melkzuur wordt direct ontbonden in lactaat en waterstof (H+). Tijdens anaerobe verbranding worden het lactaat (omgezet in glucose) afgebroken voor de productie van energie. De vermoeidheid en spierpijn (‘verzuring’) ontstaat wanneer er zoveel waterstofionen in de spieren wordt uitgestoten, dat de zuurgraad verder daalt. Ook dat heeft een verstorend effect op vele processen in het lichaam.

Een gezonde ademhaling handhaaft de zuurstofvoorziening en CO2 concentratie in het lichaam, zodat de transportfunctie en de zuurgraad van het bloed op orde blijven.

Het lichaam heeft continu behoefte aan water met daarin opgeloste stoffen zoals mineralen (‘elektrolyten’ oftewel geloste zouten als natrium, kalium, calcium en magnesium). Het lichaam bestaat voor het grootste gedeelte uit water en het lichaamswater moet voortdurend worden ververst. Elke dertig dagen is de totale hoeveelheid ververst. Het lichaam is in balans als de totale hoeveelheden water en mineralen, alsmede de onderlinge verhouding tussen die twee, constant blijven.

Een tekort aan water heeft ernstige effecten. Zo kunnen slijmvliezen te droog worden, wat een grotere kans op infectie geeft. Ook kan het bloed stroperiger worden, waardoor de hartspier minder goed doorbloed en van zuurstof wordt voorzien.

Belang van de ademhaling

De vochtbalans wordt onder andere door de ademhaling beïnvloed. Tijdens het inademen wordt de lucht in de luchtwegen bevochtigd en tijdens het uitademen gaat dat vocht verloren in de vorm van waterdamp. Enerzijds bepaalt de luchtvochtigheid hoeveel vocht je met ademen verliest, anderzijds is de manier van ademhalen van grote invloed. Zo leidt ademen door de mond, zowel in- als uitademen, tot wel 40% meer vochtverlies. Chronische hyperventileren, waarbij continu te veel lucht geademd wordt, leidt tot extra verlies aan water, ook in de longen. Het longweefsel moet echter vochtig zijn om een optimale gaswisseling mogelijk te maken.

De vochtbalans blijft beter gehandhaafd wanneer men lichter ademt en continu door neus in- en uitademt. Bij ademen door de neus staat het neusslijm staat voortdurende vocht af aan de ingeademende lucht. Bovendien wordt de lucht bevochtigd door verdamping van traanvocht dat uit de ogen via de traanbuizen wordt afgevoerd.

Het zenuwstelsel zorgt ervoor dat het lichaam snel en adequaat reageert op prikkels van buiten of binnen ons lichaam. Onze zintuigen, het zenuwstelsel en de spieren werken nauw samen. Zintuiglijke impulsen – geuren, smaken, geluiden, beelden en lichamelijke sensaties –  worden naar het centraal zenuwstelsel (de ruggengraat en hersenen) geleid. Daar worden ze  verwerkt, opgeslagen en omgezet naar impulsen voor het bewegingsapparaat en de interne organen zoals ademhalingsspieren, luchtwegen en longen.

Belang van de ademhaling

De ademhaling is als een schakelaar verbonden met het autonome zenuwstelsel. Dit systeem heeft twee delen met tegenovergestelde functies. Het parasympatische zenuwstelsel stimuleert ontspanning en herstel en wordt daarom ook wel het ‘rust- en herstelsysteem’ genoemd. Het sympathische zenuwstelsel stuurt juist signalen naar de organen om ze klaar te maken voor actie, en is ook wel bekend als ‘het vecht- of vluchtsysteem’.

De longen zijn bedekt met zenuwen die verbonden zijn van beide delen van het autonome systeem. Echter, de zenuwen zijn in verschillende delen van de longen geconcentreerd. Veel zenuwen die het parasympathische systeem met elkaar verbinden, bevinden zich in de onderste longkwabben. Daarom zijn lange en langzame ademhalingen ook ontspannend. Bij het langzaam inademen komen luchtmoleculen dieper in de longen, waar ze parasympathische zenuwen activeren die ‘rust en herstel’ berichten naar de organen sturen. Daarbij stimuleren lange uitademingen de moleculen tot een nog krachtigere parasympathische reactie.

De zenuwen van het sympathische zenuwstelsel liggen verspreid over de bovenkant van de longen. Dus als je kort en snel ademt, activeren moleculen de sympathische zenuwen die vervolgens berichten sturen om te ‘vechten of vluchten’. Deze sympathische respons wordt binnen een seconde geactiveerd. Het lichaam vermindert de bloedstroom van organen zoals maag en blaas en stuurt meer bloed naar de spieren en hersenen. Adrenaline schiet omhoog, de hartslag stijgt, bloedvaten vernauwen en de hartslag versnelt.

Het lichaam is gebouwd om alleen voor een korte uitbarsting en slechts af en toe een ‘sympathische reactie’ te vertonen. Na opwinding duurt het een uur of langer om terug te keren naar een ontspannen, parasympatische toestand. Echter, bij een ontregelde ademhaling met langdurig oppervlakkig en hoog in de borst ademen, worden constant de sympathische zenuwen ingeschakeld, waardoor mensen licht in het hoofd en angstig worden, en tenslotte uitgeput raken.

Het constant houden van de lichaamstemperatuur is van vitaal belang voor het optimaal functioneren van het lichaam. Elke lichaamscel produceert continu warmte door middel van de celstofwisseling waarbij zuurstof wordt gebruikt. De lichaamstemperatuur is het resultaat van de productie en afgifte van warmte in het lichaam zelf. De warmtebalans is optimaal in evenwicht bij een kerntemperatuur is 37 °C. Bij deze temperatuur verlopen allerlei lichaamsprocessen optimaal.

Belang van de ademhaling

Een deel van de warmte verliezen we via de ademhaling. Door middel van de slijmvliezen van de longen kan het lichaam een grote hoeveelheid warmte kwijtraken. De longen hebben een oppervlakte van ongeveer 80-100 m2. Via deze enorme oppervlakte wordt het bloed in de longen continu in contact gebracht met de buitenlucht. Vooral als de ingeademde buitenlucht koeler is dan het bloed, kan zo redelijk veel warmte afgegeven worden.

De beste manier om inkomende lucht te verwarmen is inademen via de neus. De oppervlakkig gelegen bloedvaatjes in de neusholte dragen de warmte van het bloed over aan de ingeademde lucht. Dit gaat heel snel en voorkomt dat het longweefsel te snel afkoelt. Zo wordt ingeademde vrieslucht door de neus als opgewarmd tot ongeveer 33 °C. Vergeleken met ademen door de mond, verwarmt de omvangrijke neusholte de binnenkomende lucht veel beter en houdt het meer warmte vast in de luchtwegen.

Vraag vrijblijvend advies